Overdracht oninbare vordering en btw in 2017

Met ingang van 1 januari 2017 is het een stuk eenvoudiger geworden om de reeds aan de Belastingdienst afgedragen btw terug te vorderen als een afnemer niet betaalt.

Er moet dan wel duidelijk zijn dat de vordering niet (of niet volledig) meer zal worden voldaan. Met ingang van dit jaar is het wettelijk vermoeden dat de vordering niet meer zal worden betaald als deze al een jaar opeisbaar is. Deze termijn is vanaf de factuurdatum gelijk aan 12 maanden plus de betalingstermijn. Dit betekent dat deze btw kan worden teruggevraagd in de eerste btw-aangifte nadat die 12 maanden zijn verstreken, zonder dat enig bewijs op tafel hoeft te komen. Verwerking in de aangifte kan als een negatieve omzet of als extra voorbelasting, een afzonderlijk schriftelijk verzoek bij de inspecteur is niet meer nodig. Overigens is eerdere teruggaaf op verzoek mogelijk, maar dan moet men wel aantonen dat de beoogde betaling niet meer zal plaatsvinden. Omgekeerd is de niet-betalende afnemer na diezelfde 12 maanden de afgetrokken btw weer op aangifte verschuldigd. Dit laatste is een inperking van de tweejaarstermijn die tot en met 2016 voor de afnemer gold.

Nieuw vanaf 2017 is dat bij de verkoop van een vordering aan een andere btw-ondernemer, de btw-positie van die vordering meegaat naar de koper. Dit geldt ongeacht of de niet-betaalde vordering wordt gecedeerd voordat die 12 maanden zijn verstreken. Als de cessie plaatsvindt na die 12 maanden en van de oorspronkelijke afnemer nog enige betaling op de vordering wordt ontvangen, dan moet degene die de vordering overnam de btw hierin alsnog weer afdragen. De afnemer krijgt voor de btw in het wel betaalde bedrag dan ook weer recht op vooraftrek. De verkoop van een vordering zelf is overigens vrijgesteld van btw.

Op die manier is er voor de btw weer een sluitend systeem ontstaan

Wanneer de koper van de vordering geen btw-ondernemer is, dan blijft de btw-positie van de vordering ongewijzigd achter bij de verkoper. Dit was tot en met 2016 ook al zo. Zodra er alsnog een betaling plaatsvindt, moet de koper van de vordering deze ontvangst melden aan de oorspronkelijke leverancier. Deze kan vervolgens een correcte btw-aangifte doen. Op die manier is er voor de btw weer een sluitend systeem ontstaan.

In een akte van cessie wordt echter vrijwel nooit een informatie- en/of verrekeningsverplichting voor de btw opgenomen. Het is daarom denkbaar dat als een openstaande vordering na meer dan een jaar (de btw is dan al geheel teruggevraagd) wordt gecedeerd aan een niet-ondernemer, een ontvangst op die vordering niet leidt tot een aanvullende btw-afdracht. Omgekeerd kan de afnemer de btw in die betaling wel degelijk alsnog in aftrek brengen. Op die manier ontstaat een oneigenlijk voordeel in de btw-sfeer dat toekomt aan de niet-ondernemer.

Het is de vraag hoe de Belastingdienst dit vanaf 2017 gaat controleren. Vanuit de ingediende btw-aangiften zal dit niet meer lukken...

Ik wil meer informatie ontvangen over dit onderwerp

Vul hier je naam in

Vul hier een geldig telefoonnummer in (Voorbeeld 0612345678, zonder spaties of tekens)

Ongeldige invoer

Opmerking (optioneel)

Ongeldige invoer

Kees Kocks

Kees Kocks

Adviseur
Deel dit artikel
Accepteer marketing-cookies om dit artikel te kunnen delen.

Ik wil meer informatie ontvangen over dit onderwerp

Vul hier je naam in

Vul hier een geldig telefoonnummer in (Voorbeeld 0612345678, zonder spaties of tekens)

Ongeldige invoer

Opmerking (optioneel)

Ongeldige invoer